Ze pleegden gewelddadige inbraken in alle nachten, zoals de bendeleden zelf in hun eigen lied brutaal zongen. De bende van Steensel bestond uit vijf mannen: Joost de Roij, Heyn Coenen, Piet Smolders, Bartel Smolders en Coob van de Weijer. De jonge zoon van C**n van Weijer, Gerrit genaamd en twee vrouwen maakten ook deel van de bende uit. Joost de Roij, een gezeten burger, kerkmeester en koorzanger
, was de leider van het stel en de vrouwen werkten als spionnen die de overige bendeleden vertelden waar wat te halen viel. De plaatselijke bevolking en ook de politie kenden de bendeleden. Toch kon de bende van Steensel gedurende acht jaar ongestoord de gewelddadige inbraken plegen. Volgens het verhaal reed de leider Joost de Roij op een paard met verkeerd onderslagen hoefijzers, om eventuele achtervolgers te misleiden. Uiteindelijk werd de bende toch opgepakt, waarna Pieter Bolsius, schout te Eersel, op 25 november 1804 een kar Eindhoven binnenreed met daarop alle vijf bendeleden. Na een opsluiting en berechting in 's-Hertogenbosch werden de vijf mannen op 10 mei 1805 opgehangen voor het Stadhuis in 's-Hertogenbosch. Bendeleider Joost de Roij had een bijzonder band met de gevangenisbewaarder. De cipier gaf Joost raadsels/vraagstukken. Als Joost deze kon oplossen kreeg hij extra luchttijd. Joost heeft tot aan zijn dood tevergeefs gehoopt op deze manier de gevangenis te kunnen ontvluchten. De afloop kennen jullie. De twee vrouwen en de jongen werden gegeseld, gebrandmerkt en tot tuchthuisstraf veroordeeld.