29/06/2026
De jacht op de kleine zelfstandige-
Hoe Horeca ook wordt geviseerd door onze beleidsmakers
Al meer dan tien jaar lijkt de Belgische horeca de favoriete proeftuin van beleidsmakers. Alsof cafés, restaurants en brasserieën de oorzaak zouden zijn van de fiscale problemen in dit land.
De realiteit is het tegenovergestelde: de horeca behoort tot de meest gecontroleerde, meest gereglementeerde en meest arbeidsintensieve sectoren van onze economie.
Toen de verplichte “witte” kassa werd ingevoerd, beloofde de overheid een eerlijk evenwicht.
De sector zou zware administratieve verplichtingen aanvaarden, maar daar tegenover stonden enkele noodzakelijke compensaties: flexi-jobs, een RSZ-korting van ongeveer 500 euro per voltijdse werknemer per kwartaal (die bovendien nooit werd geïndexeerd) en een verlaging van de btw op voeding van 21 naar 12 procent.
Vandaag blijft van dat akkoord nauwelijks iets over.
Flexi-jobs zijn ondertussen uitgebreid naar bijna alle sectoren van de economie. Vanaf 1 juli verdwijnt bovendien ook de RSZ-korting voor de horeca. En een verdere btw-verlaging, waar de sector al jaren op wacht, blijft uit.
De compensaties verdwijnen, maar de verplichtingen blijven.
Nog schrijnender is het gebrek aan gelijke behandeling. In andere arbeidsintensieve sectoren zoals kapsalons, schoonheidssalons en tal van persoonlijke diensten bestaat er geen “witte” kassa. Waarom werd enkel de horeca geviseerd?
De horeca is bovendien zeer arbeidsintensief. Een horecazaak realiseert vaak ongeveer 100.000 euro omzet per voltijdse werknemer. In veel industriële ondernemingen bedraagt die omzet per werknemer gemakkelijk 1 miljoen euro of meer. De loonkost weegt dus in de horeca vele malen zwaarder door dan in kapitaalintensieve sectoren.
Toch vergelijkt men beide sectoren vaak alsof ze economisch identiek functioneren.
De automobielindustrie ontving al miljoenen aan subsidies, investeringspremies en fiscale voordelen om internationale productie in België te houden. Grote ondernemingen konden bovendien succesvol onderhandelen over RSZ-kortingen om delokalisaties te vermijden.
Voor de horeca lijkt zo’n economische steun veel moeilijker.
Wereldvreemd beleid
Ons beleid wordt geschreven door juristen, kabinetsmedewerkers en beroepspolitici die nooit in de private sector hebben gewerkt. Zij denken enkel in regels, uitzonderingen en controles, terwijl ondernemers dagelijks moeten nadenken over omzet, personeel, klanten en overleven.
Elke legislatuur komen er nieuwe administratieve verplichtingen, bijkomende rapporteringen, extra controles en hogere lasten bij. Maar niemand durft zich af te vragen hoeveel een onderneming kan verdragen.
De kruik gaat te water tot ze barst. Een groot deel van de dorpscafés zijn al verdwenen. Veel zaken kampen met financiële problemen.
Daarom is het bijzonder opvallend wanneer begrotingsminister Vincent Van Peteghem verklaart dat hij de “achterpoorten” n wil sluiten. Dat klinkt stoer in een televisie-interview, maar het miskent de economische realiteit.
Veel van die zogenaamde uitzonderingsregimes zijn geen cadeaus.
Ze vormen de enige manier waarop Belgische ondernemingen nog kunnen overleven in een van de zwaarst belaste landen ter wereld. Flexi-jobs, gunstige fiscale regimes, doelgroepverminderingen en andere uitzonderingen zijn geen luxe, maar zuurstof voor zaken die anders failliet gaan.
Paradoxaal genoeg lijkt dezelfde fiscale rechtlijnigheid bij Van Peteghem niet te bestaan, wanneer het over de overheid zelf gaat. Vakbonden en mutualiteiten genieten al jarenlang van een uitzonderlijk fiscaal statuut en betalen geen vennootschapsbelasting zoals gewone ondernemingen dat wel doen. Over dergelijke “achterpoorten” horen we bij hem geen verontwaardiging.
Misschien wordt het tijd dat de overheid niet langer de meest kwetsbare zaken viseert, maar opnieuw vertrouwen geeft aan wie jobs creëert, belastingen betaalt en onze steden levendig houdt.
Want zonder gezonde handelszaken zijn gemeenten doods en valt er fiscaal ook niets meer te rapen.